Doodlopende hulp of een doodlopend economisch model?

Your title here...

Dambisa Moyo, een econome van Zambiaanse afkomst die carrière maakte bij de Wereldbank en Goldman Sachs, schreef een boek over ontwikkelingshulp: Dead Aid, of Doodlopende Hulp. Ze bekritiseert de systematische geldstromen die via Westerse regeringen en internationale instellingen als het IMF en de Wereldbank naar overheden in ontwikkelingslanden stromen. Moyo stelt dat deze geldstromen er niet in geslaagd zijn om structurele economische groei te brengen en dat het hulpgeld daar zelf verantwoordelijk voor is. Afrika moet  volgens Moyo andere financieringsbronnen gebruiken voor haar ontwikkeling. Stoppen of doorgaan met deze ontwikkelingshulp, dat is de vraag.

Het is de schuld van de hulp

Dambisa Moyo is niet mals voor een halve eeuw ontwikkelingshulp. Hulp is volgens haar verantwoordelijk voor omzeggens alle ellende van Afrika.

  • Hulp is verantwoordelijk voor armoede en corruptie, want hulp leidt tot corruptie, corruptie tot slecht beleid, wat resulteert in minder groei, meer armoede, waardoor er weer meer hulp nodig is die tot meer corruptie leidt enz
  • Hulpt ontmoedigt sparen en investeren
  • Hulp leidt tot inflatie
  • Hulp zorgt voor een stijging van de wisselkoers waardoor de export daalt
  • Hulp veroorzaakt conflicten of versterkt ze minstens

Het zijn harde uitspraken en enerzijds ben je geneigd instemmend te knikken tijdens het lezen van het boek. Want hoe frustrerend is het niet vast te stellen dat bepaalde landen en hun leiders vastgeroest zitten in een met ontwikkelingsgeld gefinancierde dwangbuis van politiek cliëntelisme, die vooruitgang blokkeert om de positie van enkelen te beschermen?

Maar anderzijds ontbreken Moyo's stellingen vaak de nodige onderbouw. Critici van Dead Aid (zie referenties) verwijten Dambisa Moyo dan ook dat ze onderzoeken negeert die haar stellingen tegenspreken of dat ze onderzoeksbesluiten fout interpreteert om ze te doen passen. Zij voeren van hun kant cijfers aan die aantonen dat hulp wel bijdroeg tot de economische groeicijfers van vele landen en dat zonder hulp veel ziekten niet bestreden zouden zijn.
Samengevat luidt de kritiek dat de symptomen die Moyo beschrijft wel reëel zijn, maar dat Moyo tekort schiet in haar bewijsvoering dat de oorzaak van de aangehaalde problemen zomaar toe te schrijven is aan hulpgeld.

Of Moyo nu op al haar punten gelijk heeft? Het zou weinig bijdragen aan het debat van daar lang bij te blijven stilstaan. Er zijn al genoeg auteurs die hun kritiek formuleerden en er zijn genoeg boeken die alle problemen verbonden aan ontwikkelingshulp afdoende en genuanceerd behandelen.
Het onderwerp is te belangrijk om in een welles-nietes-spelletje te verzanden tussen voor- en tegenstanders van Dead Aid. De problemen in de wereld zijn daarvoor te urgent. En men kan er niet omheen dat de hulpstromen in teveel gevallen te weinig resultaat hebben geboekt.

Moet hulp daarom op korte termijn afgebouwd worden, zoals Moyo voorstelt? Of zijn de globale uitdagingen vandaag van die aard dat die hulp er anders moet uitzien? En moet dat uberhaupt het etiket "hulp" krijgen? De vraag "hoe kan het anders en beter", is een vraag die iedereen zich moet stellen. Of men het nu eens is met Moyo of niet. De antwoorden op die vragen hebben implicaties op alle partijen die van ver of dichtbij betrokken zijn bij ontwikkelingssamenwerking. Dus ook op Vredeseilanden, ook al bespreekt Moyo de rol van ngo's amper in haar boek en gaat haar aandacht bijna exclusief uit naar de financiële stromen van bilaterale (van regering tot regering) en multi-laterale hulp (via internationale instellingen als de Wereldbank).

Was het hulp of goed beleid?

Wie Dead Aid leest, krijgt snel de indruk dat de hulpstromen één grote mislukking zijn. Toch zijn er ook succesvolle voorbeelden te vinden waar ontwikkelingsgeld wél bijdroeg aan economische ontwikkeling. Moyo noemt ze ook zelf: Europa met het Marshallplan, Botswana, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Taiwan, de "Aziatische tijgers",...

Maar, zegt Moyo er meteen bij, dat was niet dankzij het hulpgeld, wel door goed beleid van de respectievelijke overheden. Een beleid dat inspeelt op buitenlandse investeringen, ondernemerschap stimuleert, een stabiel juridisch kader schept en investeringen doet in publieke sectoren zoals onderwijs en gezondheidszorg. Kortom, een overheid die haar taken ernstig neemt.

Daar raakt Moyo de kern van de zaak. Professor Patrick Develtere van de K.U.Leuven vatte dat ooit mooi samen als: hulp helpt, maar is niet de oplossing.

"Financiële hulp heeft alleen een positief gevolg indien het hand in hand gaat met de juiste beleidsmaatregelen. In landen met een gezond economisch beleid vervangt buitenlandse hulp privé-initiatief niet. Hulp is vooral efficiënt en effectief als ze de lokale instituties en het beleid versterken."

Uit welbegrepen wederzijds belang

Goed beleid maakte ook dat de financiële transfers van het Marshallplan of de hulp aan Zuid-Korea wel resultaat toonden. Daarnaast zijn er nog tal van factoren die ervoor zorgden dat succes in deze gevallen op relatief korte termijn zichtbaar was. Eén daarvan mag in deze context extra nadruk krijgen: de aanwezigheid van een wederzijds belang tussen de "donor" en "ontvanger". Een wederzijds belang waar een duidelijke strategie uit voortkwam waardoor de hulp paste in een groter plan dat ieders agenda diende.

Nemen we het voorbeeld van Zuid-Korea. Vanzelfsprekend was het goed voor het land en zijn bevolking dat er geïnvesteerd werd in een stabiel overheidsapparaat met sterke instellingen, in een uitgebouwd onderwijssysteem en in cruciale economische groeisectoren die de export konden leiden.

Maar de Westerse solidariteit voor Zuid-Korea was op meer gestoeld dan liefdadigheid. Voor het Westen was een welvarend en democratisch Zuid-Korea een erezaak, maar ook een absolute noodzaak als tegengewicht voor het door de USSR gesteunde Noord-Korea. In een tijd waarin de "domino"-theorie het denken beheerste, wilde men niet het risico lopen dat door de val van Zuid-Korea de hele regio in handen van het communisme zou vallen. Men kon zich met andere woorden geen falen permiteren.

En dus mocht dat allemaal iets kosten. Per inwoner kreeg Zuid-Korea in de jaren '50 170 dollar. Taiwan verkeerde als kleine Westerse bondgenoot en afvallige provincie van het communistische China in een gelijkaardige positie als Zuid-Korea en kon zelfs op 190 dollar per hoofd aan Westerse steun rekenen. Tussen 1960 en 2004 ontving Afrika per hoofd 24 dollar. Geen land ter wereld kon dus ooit op zulke massale steun rekenen als Zuid-Korea en Taiwan in de jaren '50. Het verwondert dan ook niet dat - in tegenstelling tot wat velen denken - het grootste deel van het ontwikkelingsgeld de voorbije halve eeuw niet naar Afrika ging, maar naar Azië.

Het Marshallplan na Wereldoorlog II kan door dezelfde bril bekeken worden. Natuurlijk was alle hulp voor de Europeanen welkom toen hun continent in puin lag. Maar de Amerikanen beseften even goed dat ze alleen maar te winnen hadden bij een (West-)Europa dat zijn welvaart herwon. Hun industrie had nood aan koopkrachtige consumenten overzee, omdat de binnenlandse markt snel verzadigd zou raken. En een Europa dat politiek, economisch en militair op apegapen ligt, zou een hapklare brok zijn voor aartsvijand Rusland, zo ging de redenering.

De Amerikaanse hulp miste zijn doel niet en versnelde de wederopbouw. Dé oplossing was het Marshallplan niet. De oplossing was het "sociaal kapitaal" van Europa dat de oorlog had overleefd: er waren geschoolde en competente ingenieurs, architecten, bouwvakkers, ambtenaren, dokters, politici en ondernemers van alle slag, die zich allen organiseerden in sterke middenveldorganisaties die het beleid mee stuurden en er democratische legitimiteit aan gaven.

De Amerikaanse econoom en nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz benadrukt in zijn werk ook nog dat landen die zich de voorbije halve eeuw opwerkten, dat niet deden door de recepten van de zogenaamde "Washington consensus" te volgen van snelle liberalisering en afbouw van de overheid. In plaats daarvan beschermden ze hun eigen landbouw, stelden ze hun economie maar open voor vrijhandel wanneer hun industrie sterk genoeg stond om de competitie op wereldniveau aan te gaan, en liberaliseerden ze niet of slechts gedeeltelijk hun kapitaalmarkten.

Hoe oprecht was de hulp aan Afrika?

Hoe anders waren de uitgangspunten van de tientallen jaren ontwikkelingshulp aan Afrika tijdens de Koude Oorlog? De term "hulp" is achteraf bekeken zelfs misplaatst. Het eerste belang van het Westen na WOII in het gedekoloniseerde Afrika was niet democratie, een sterke overheid en een welvarende bevolking. Afrika lag - in tegenstelling tot Zuid-Korea - te ver buiten het epicentrum van de Koude Oorlog voor zulke ideologische overwegingen. Grondstoffen waren het voornaamste motief.

En dus was hulpgeld eerder een geopolitieke afkoopstrategie om te zorgen dat de Afrikaanse landen zich aan de juiste zijde schaarden en de poort naar hun ontelbare bodemrijkdommen openden tegen een bodemprijs. In ruil voor het vervullen van dat Westerse eigenbelang, werden er niet teveel vragen gesteld over democratie, mensenrechten, transparantie en de kwaliteit van de ontvangende overheid.

Die houding diende dan weer het eigenbelang van de titelvoerende dictator, die in ruil voor zijn politieke steun een gesubsidieerde overlevingsstrategie kon uitzetten. Dat deze leiders - met Mobutu als trieste uitschieter - geregeld enkele percenten van het hulpgeld doorsluisden naar een eigen bankrekening in Zwitserland, was voor de donors niet fraai, maar hoogstens een lastige vraag voor een verre toekomst.

Twee soorten eigenbelang waren dus vervuld, maar dat maakt nog geen wederzijds belang.

Vandaag kan men zich nog steeds afvragen hoe oprecht onze ontwikkelingshulp echt is. De effectiviteit van de hulp die Europa en de VS met de ene hand geven, wordt grotendeels plat geknepen door de andere hand die met (export)subsidies en aanverwante dumpingpraktijken landbouwmarkten van ontwikkelingslanden lam legt... en daarmee ook de ontwikkelingskansen hypothekeert van de grootste groep armen: de boerenfamilies.

Ook hier stellen we dus vast dat de échte sleutel uiteindelijk politiek is. Hulpgeld kan het slot hoogstens smeren. Dat principe reikt nog verder. Waarom werkten de steunmaatregelen van de EU bijvoorbeeld voor sommige regio's schitterend (Spanje, Portugal, Ierland) en verrichtten ze voor andere regio's slechts een schim van dat resultaat? De kans is groot dat het antwoord in het gevoerde lokale beleid is te vinden.

Geldstromen afbouwen, noodhulp slimmer maken

Hulp heeft dus geholpen in een aantal gevallen, maar in (te)veel gevallen ook niet. Zoals gezegd, vindt Dambisa Moyo dat hulp meer kwaad dan goed deed en dus wil ze af van de systematische geldstromen. Op zich is dat niet meer dan logisch. Net zoals het niet de bedoeling kan zijn dat iemand eeuwig van een werkloosheidsuitkering leeft, zo kan het niet de bedoeling zijn dat een land hulp als een permanent inkomen inschrijft. Moyo stelt daarop een afbouwscenario voor, waarbij het percentage hulpgeld in de begroting van het land in kwestie wordt afgebouwd tot ongeveer 5% van de begroting. Het gat dat ontstaat moet opgevuld worden door alternatieve financieringsbronnen.

Natuurlijk, zegt Moyo, zal er bij conflicten of natuurrampen altijd nog enige vorm van noodhulp nodig zijn. Maar ook met noodhulp kan er creatiever omgesprongen worden, zodat ook de regionale economie versterkt wordt. Moyo geeft het voorbeeld van voedselhulp. In plaats van voedselpaketten in te voeren uit Europa of Amerika, zou dat voedsel beter bij boeren in Afrika besteld worden.

Een goed idee, dat we met Vredeseilanden zelf hebben toegepast in Congo. Het is inderdaad een grote stimulans, maar uit de praktijk kennen we ook de sleutelfactoren die het succes bepalen: de aanwezigheid van robuuste boerenorganisaties en coöperatieves die contracten kunnen waarmaken, de beschikbaarheid van kredietfaciliteiten en infrastructuur zoals wegen, maalcapaciteit enz. In ontwikkelingslanden is geen enkele van die factoren evident, maar investeringen via ontwikkelingshulp kunnen wel bijdragen tot oplossingen voor de genoemde knelpunten.

Waar komt het geld voor ontwikkeling dan wel vandaan?

Ter vervanging van het hulpgeld, schuift Moyo alternatieven naar voren die volgens haar beter in staat zijn de ontwikkeling van Afrika te financieren. Eigenlijk schrijft ze op dat vlak niets wat al niet in een gemiddeld handboek ontwikkelingseconomie staat. De financieringsbronnen die ze aanhaalt zijn de internationale kapitaalmarkten (door het uitschrijven van obligaties), buitenlandse investeringen (met China als voornaamste partner), internationale handel (en een verbetering van de regionale handel in Afrika), microkredieten, de fondsen die emigranten opsturen naar het thuisland, en het binnenlands spaartegoed.

Er bestaat dan ook geen twijfel over dat een mix van verschillende financieringsbronnen essentieel is voor de groei van een economie, maar Moyo gaat er toch al te gemakkelijk van uit dat die nieuwe financieringsbronnen - als ze al succesvol kunnen aangesproken worden - ervoor gaan zorgen dat overheden en hun leiders zich verantwoordelijker gaan opstellen.

Daarbij kan opgemerkt worden dat hulpgeld evengoed geïnvesteerd wordt in infrastructuur of lokale instellingen die buitenlandse investeringen aantrekken - een betrouwbare douanedienst, havens, wegen - of kredietverstrekking mogelijk maken. "Aid for trade" zoals dat heet. Maar ook hier nog eens: het succes daarvan zal uiteindelijk afhangen van de kwaliteit van het gevoerde beleid op de verschillende niveaus.

Een bisnummer dat niet mag gespeeld worden

Bovendien klinken de recepten van Moyo en vele anderen die zich over de probleemstelling bogen nog teveel als een late vraag voor een bisnummer. Een vraag om het industrialisatieproces van de EU, China of andere Aziatische landen nog eens over te doen voor Afrika.

Het lijdt geen twijfel dat Afrikaanse landen veel elementen kunnen gebruiken uit het sucessvolle ontwikkelingsproces van andere landen. Maar het bevreemdende aan het hele debat vandaag is de complete afwezigheid van de duurzaamheidsdimensie. Het is symptomatisch voor zovele economen die niet schijnen te beseffen dat de pot met natuurlijke hulpbronnen van onze planeet bijna leeg is, waardoor het klassieke groeimodel niet verder kan gezet worden.

Er is nochtans niet veel nodig om te zien dat het Westerse of het Chinese ontwikkelingsmodel niet te kopiëren valt. De manier waarop Amerikanen en Europeanen naar het toilet gaan, valt zelfs niet te imiteren omdat er simpelweg te weinig water is. De opkomst van China toonde hoe de prijzen van schaarse olie, ertsen en mineralen de hoogte inschieten als een nieuwe groep zich naar de middenklasse opwerkt. Gezien de meeste van die ertsen zich in Afrika bevinden, dreigen op korte termijn ook nog eens de conflicten rond die bodemrijkdommen te vergroten.

Tegelijkertijd stellen we vast dat een klimaatakkoord sluiten met strikte quota voor uitstoot van broeikasgassen een schier onmogelijke oefening is. Alle landen rekenen dat ze economisch inboeten bij een klimaatakkoord dat uitstoot van broeikasgassen aan banden legt. Zo heeft de confrontatie met de eindige biocapaciteit van onze planeet de economie herleidt tot een zero sum game.

Daar staan we dan: een groot deel van de wereldbevolking moet nog aan een ontwikkelingsproces beginnen, maar mag dat in feite niet om de simpele reden dat we de planeet dan over de rand duwen. Afrika mag zich dus niet ontwikkelen. Tenzij...

Tenzij we het geweer drastisch van schouder veranderen.

Er is geen Noord-Zuid probleem

Hoe kan het dan wel?

Laat ons even teruggrijpen naar de voorbeelden van ontwikkeling waarbij mede dankzij hulp op relatief korte termijn succes werd geboekt. De aanwezigheid van een wederzijds belang bleek daarbij een geweldige katalysator voor economische ontwikkeling. En er is niks mis met wederzijds belang. Wederzijds belang is de basis van solidariteit, waar ook de sociale voorzieningen in België op zijn gebaseerd.

Is er vandaag zo'n gedeeld belang dat alle regio's in de wereld - rijk en arm - verbindt? De vorige paragrafen maakten al duidelijk dat de duurzaamheids- en klimaatcrisis in de feiten alles overstijgend is. Voor het eerst sinds de oliecrisis is er iets dat de Westerse welvaart en de toekomstige groei in zijn fundament bedreigt.

De gevolgen van de klimaatsverandering laten zich dan weer het vroegst en het hardst voelen in die delen van de wereld die er het minst aan het probleem hebben bijgedragen. Vandaag al kampen bijvoorbeeld boeren met langere droogteperiodes die de oogsten nog meer onder druk zet. In deze context is het zinloos om voor deze boeren een herhaling van de groene revolutie voor te schrijven en hen massaal toegang te geven tot chemische pesticiden en bodembevruchters die allemaal op een vuile en eindige grondstof gebaseerd zijn: olie.

Er is geen structurele economische ontwikkeling meer mogelijk binnen de heersende logica. Noch voor ontwikkelingslanden, noch voor de rijke landen. Niet alleen heel wat hulp loopt dood, ook ons economisch model loopt dood.

De problemen van honger, armoede en klimaat zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is geen Noord-Zuid probleem meer, er is een globaal probleem, waar enkel een globale oplossing voor past. VN Secretaris-Generaal Ban Ki-Moon drukte deze gedeelde uitdaging in een toespraak als volgt uit:

"We hebben minder dan tien jaar om de stijging van de uitstoot van broeikasgassen tot staan te brengen, als we catastrofale gevolgen voor mens en planeet willen vermijden. Het is de grootste collectieve uitdaging waar we als menselijke familie voor staan"
Bank Ki-Moon, secretaris-generaal van de VN.

Het legt meteen de strategie bloot voor een nieuwe ontwikkelingsaanpak. De vraag is niet meer: Hoe lossen we de honger op, of het waterprobleem, of het scholingsprobleem, of...
Niet dat die problemen er minder pertinent op geworden zijn, maar hun oplossing moet voortaan kaderen binnen de centrale vraag: hoe maken we zo snel mogelijk een wereldwijde transitie naar een duurzame economie? Een economie waarvan de vooruitgang de kansen van toekomstige generaties niet onomkeerbaar belast door de verwoesting en vervuiling die ze aanrichten bij het opsouperen van schaarse grondstoffen.

Alles wat bedrijven, ngo's, overheden en individuen ondernemen zal moeten passen binnen die overkoepelende strategie. Die transitie spreekt de hele samenleving aan en vergt verandering in alle sectoren: alternatieve energiebronnen, aangepaste onderwijsrichtingen, nieuwe materiaalsoorten... en een agro-ecologische landbouw.

Als Vredeseilanden inkomen uit duurzame landbouw centraal plaatst in haar missie, is dat niet alleen omdat het de efficiëntste manier is om mensen uit de armoede te werken en honger te bestrijden. We weten daarnaast ook dat de landbouwsector voor 25% van de uitstoot van broeikasgassen verantwoordelijk is. Een oplossing voor het klimaatprobleem is dus niet mogelijk zonder dat boeren wereldwijd nieuwe technieken en werkwijzen vinden om te produceren en producten op de markt te brengen.

Natuurlijk moeten veel antwoorden nog ontdekt worden, maar één principe staat vast: ecologische en sociale kosten kunnen niet langer afgewenteld worden op volgende generaties. De overheid zal dat met slimme belastingsregels onmogelijk moeten maken. De bedrijven van de toekomst zijn organisaties die erin slagen goederen en diensten aan te bieden die het competitiefst zijn binnen de 3 P's van People, Profit en Planet.

Wie betaalt dat? Ontwikkelingshulp voor iedereen!

Tot slot komen we terug uit bij de elementaire vraag die Moyo in het tweede luik van Dead Aid stelt: hoe financieren we de ontwikkeling van Afrika op een alternatieve manier? Die vraag moet opengetrokken worden: hoe financieren we de wereldwijde transitie waarbinnen iedere regio zijn ambities kan waarmaken zonder een bom onder de kansen van komende generaties te leggen?

Moeten we de budgetten voor ontwikkelingssamenwerking daarvoor afschaffen? Nee, maar ze moeten ingepast worden in de wereldwijde transitie naar een duurzame economie.
Hulp moet de lokale instituties en het beleid versterken zonder dewelke zulke verandering niet mogelijk is. Zo dient hulp ons wederzijdse belang, wat misschien nog de grootste garantie is op effectieve besteding van het geld.

Maar met ontwikkelingshulp gaan we er niet komen. De investeringen moeten van overal komen: via overheden, het bedrijfsleven, burgers en civiele maatschappij. Al die inspanningen moeten ook niet (alleen) gebeuren uit liefdadigheid. Als we slagen, zal de leefkwaliteit erop vooruitgaan. Eigenlijk spreken we over ontwikkelingshulp van en voor iedereen, want iedereen draagt een verantwoordelijkheid en iedereen heeft er belang bij - ook al wordt dat niet altijd even helder ingezien. Om het cru te zeggen: stop met de visieloze liefdadigheid die vooral als opium voor ons schuldgevoel dient en investeer in een gemeenschappelijke strategie uit welbegrepen wederzijds belang.

Even terzijde: bekeken vanuit dit perspectief is de term "het goede doel" voor rekbaarheid vatbaar. Een ondernemer die een winstgevend bedrijf runt, tevreden werknemers tewerkstelt en in de dagelijkse bedrijfsactiviteit de ecologische balans in evenwicht houdt, is dat ook geen goed doel?

Naast de door Moyo aangehaalde financieringswijzen voor ontwikkeling zijn er nog uitgewerkte alternatieven van andere auteurs, die voortkomen uit de vaststelling dat de stereotype oplossingen niet meer volstaan. Jospeh Stiglitz bijvoorbeeld, somt er enkele op: een wereldwijde loterij, een belasting op gebruik van "global commons" zoals oceanen, de atmosfeer of Antartica. Ook het werk van Ann Petifor en haar collega's rond het financieren van de "Green New Deal" past in dit plaatje. Het ingrijpendste is misschien nog het voorstel van Stiglitz om het wereldwijde reservesysteem te hervormen. Daarmee wil hij de miljarden dollars vrij maken die landen (ook ontwikkelingslanden) vandaag als reserve aanhouden om zich te beschermen tegen de gevolgen van kapitaaluitstroom. In plaats van stil te staan, zou dat geld beter cruciale investeringen financieren, redeneert Stiglitz. En het idee van een tobintaks op speculatieve financiële verrichtingen is ondanks veel tegenstand na al die jaren nog altijd levend.

We kunnen hier nog maar eens vaststellen dat geld belangrijk is, maar dat geld alleen de oplossing niet is. Politieke hervormingen die consumenten en investeerders vertrouwen schenken, geven uiteindelijk de doorslag. Overheden moeten via hun belastingssysteem onduurzame alternatieven als optie uitschakelen. En er is nood aan coördinatie op wereldniveau om financiële volatiliteit, deviezenspeculatie en inflatie in de hand te houden. Niemand beweert dat het eenvoudig is, maar het kan geen excuus zijn om er nu geen werk van te maken.

"Money for nothing", zoals Dambisa Moyo veel ontwikkelingshulp benoemt, kunnen we ons niet permiteren. We hebben resultaten nodig, want onze eigen soort is in het gedrang. Maar misschien moeten we het geen ontwikkelingshulp meer noemen, omdat het woord alleen al achterhaalde associaties zal blijven oproepen. Ons maakt het niet uit. Zolang het maar werkt, zolang er maar iets gebeurt. Want heel veel tijd rest ons niet.

Luuk Zonneveld (algemeen directeur)
Teopista Akoyi (coördinator van de ontwikkelingsprogramma's in Oost-Afrika)
Jelle Goossens (communicatiemedewerker)

Referenties:

Dambisa Moyo: Dead Aid: Why Aid is Not Working and How There is a Better Way For Africa
http://www.amazon.com/Dead-Aid-Working-Better-Africa/dp/0374139563

Michael A. Cohen: Better Aid, not dead aid
http://www.newamerica.net/publications/articles/2009/better_aid_not_dead_aid_africa_13281

Owen Barder: Review of Dead Aid
http://www.owen.org/wp-content/uploads/review-of-dead-aid.pdf

One.org: The Facts about Dead Aid by Dambisa Moyo
http://www.one.org/c/us/policybrief/911/

Jeffrey Sachs: Moyo's Confused Attack on Aid for Africa
http://www.huffingtonpost.com/jeffrey-sachs/moyos-confused-attack-on_b_208222.html

Michael Gerson: Dead Aid, Dead Wrong
http://www.washingtonpost.com/wp-dyn/content/article/2009/04/02/AR2009040203285.html

Patrick Develtere: Hulp helpt, maar is niet de oplossing
http://www.ekstermolengroep.be/hulphelptmaarisnietdeoplossing.pdf

Robrecht Renard en Nadia Molenaers: Ontwikkelingshulp faalt
http://books.google.com/books?id=BqeMkBCQP4sC&printsec=frontcover&source=gbs_v2_summary_r&cad=0#v=onepage&q=&f=false

Al Gore & Ban Ki-moon: Groene groei is de enige uitweg
http://www.happynews.nl/2009/02/23/groene-groei-is-de-enige-uitweg/

Oxfam International: Suffering the Science: Climate Change, People and Poverty
http://www.oxfam.org/sites/www.oxfam.org/files/bp130-suffering-the-science.pdf

Joseph Stiglitz: Aid for trade - Finance for development - Overselling globalization

The Green New Deal Group: A Green New Deal
http://www.neweconomics.org/gen/uploads/2ajogu45c1id4w55tofmpy5520072008172656.pdf

Ban Ki Moon, toespraak voor de World Federation of Unitid Nations Associations
http://www.unausa.org/banwfunaplenary