WTO komt landbouw en voedselzekerheid niet ten goede

Al tien jaar proberen landen een nieuw vrijhandelsakkoord te sluiten binnen de WTO, de zogenaamde Doha Ontwikkelingsagenda. De onderhandelingen zitten duidelijk in het slop, en de achtste ministeriële vergadering (die op 15-17 december in Genève plaats vindt) zal daar niets aan veranderen. Het beoogde resultaat van de Doha-onderhandelingen blijft uit omdat de sleutel tot ontwikkeling niet eens op tafel ligt: bescherming van landbouw en voedselzekerheid.

Toen de WTO geleidelijk aan de voedselmarkten openstelde voor vrije handel, hebben grote spelers, zoals de Europese Unie en de Verenigde Staten, daarop geanticipeerd met een landbouwbeleid dat hun boeren bescherming (lees: inkomenssubsidies) bood tegen goedkope import waarmee ze niet konden concurreren. Ze deden dit omdat landbouw gevoelig ligt: immers, als een land te afhankelijk wordt van voedselimport, kan het niet langer de voedselvoorziening van haar bevolking garanderen. Er moet zich maar een crisis voordoen (wat de laatste tijd regelmatig gebeurt – denk maar aan de voedselcrisis van 2008), of exportlanden kunnen hun voedselsluizen sluiten. Vrije voedselhandel dwingt hoge inkomenslanden dus om hun landbouwsectoren te subsidiëren, opdat goedkope import ze niet das zou omdoen.

Ook lage en middeninkomenslanden kampen met gelijkaardige problemen, dat hun boeren vaak niet kunnen concurreren met voedselproducten die elders goedkoper geproduceerd worden. Met dat verschil dan, dat die landen het overheidsgeld niet hebben om hun landbouwsector te beschermen en (vooral kleinschalige) boeren de kop niet meer boven water kunnen houden. Dit probleem wordt des te pijnlijker als men de toegevingen van bilaterale handelsverdragen in rekening brengt, die vaak nog meer toegang tot de voedselmarkten verschaffen dan reeds het geval is in multilaterale handelsakkoorden. Zo werd West-Afrika de voorbije twee decennia overspoeld met goedkope import van onder meer granen, rijst, vlees en melkpoeder, die de lokale productie ernstig heeft verstoord en de voedselzekerheid in gevaar heeft gebracht.

Deze situatie is niet houdbaar. Lage en middeninkomenslanden hebben dan ook voorstellen op tafel gelegd om flexibele douanetarieven in te stellen; op die manier kunnen ze de ontwikkeling van de eigen landbouw- en voedingssector veilig stellen, en laten ze ruimte om eventuele voedseltekorten in te voeren uit het buitenland. Deze voorstellen werden echter nooit ernstig overwogen. Zolang dit niet gebeurt, is het voor die landen dus geen goede zaak om verdere marktopening te onderhandelen in andere sectoren, zoals nu het geval is in de Doha-onderhandelingen.

De Europese Unie zou er overigens ook baat bij hebben de vrije voedselhandel in vraag te stellen. Haar gemeenschappelijk landbouwbeleid berust in de regels van de vrije markt, terwijl meer gecontroleerde marktmechanismen die productie- en importvolumes op een evenwichtige manier op elkaar afstemmen, dure subsidies overbodig kunnen maken.

Hoog tijd dus om een kruis te zetten over deze onderhandelingsronde en werk te maken van een rechtvaardigere en duurzamere vrije handel, die boeren in Noord en Zuid een eerlijke kans geeft om hun medeburgers van voedsel te voorzien.

Gert Engelen en Tom Van den Steen