Gerry De Mol in Senegal
20 september
We staan ontiegelijk vroeg op. We rijden naar Kolda vandaag, 450 kilometer naar het zuiden, over Gambia. Het is de vierde keer al dat ik dat doe. Je hebt twee keuzes om naar Kolda te rijden. Rechtdoor via een overzetboot en de douane en de politie en nog douane en weer politie en de gendarmerie en de douane en de politie van Gambia. En dan wachten en dan een boot op voor tien minuten. De andere methode is via Tambacounda, een omweg van enkele honderden kilometer extra. De laatste twee keer hebben we de tweede optie gekozen en dankzij een diplomatiek paspoort hebben we ooit vermeden om een uur of vijf te blijven wachten aan de boot. Ik herinner me de mannen die er onder hen vrachtwagens sliepen, de levendige marktsfeer, de mensen met plastic zakjes water van een verdachte kleur.
Ik koop bananen voor we de voorsteden van Dakar uit zijn. Gisteren hebben we ’s middags niet gegeten, het is ramadan en mijn medereizigers eten of drinken de hele dag niet. Het is toch rond de 30 graden en zo vochtig dat je in de lucht kan zwemmen en onder de koude douche meer druppels zweet dan dat de gemiddelde hoteldouche produceert. Ik vraag me af of je dan nog goed de toegang tot drinkbaar water kunt bepleiten bij de boerenbevolking. Die ook niet drinkt, natuurlijk. Er wordt meer gepuft dan de airco lucht produceert. Dus neem ik mijn voorzorgen. Ik koop een kleine kilo bananen, een systeem voor de rest van de week als we op tour zijn. Als het ergens kan, bestel ik een sandwich. Ik scoor er die week eentje met kip en eentje met ei.
In de wagen, die tot mijn verwondering de weg naar Mbour neemt, nog een omweg ... denkt ik. Maar er is geen putje in het wegdek. Meer zelfs. Er staan bordjes bij de steden en borden, op elke kilometerpaal staan de afstanden tot het volgende dorp en de volgende stad. In de dorpen zijn verkeersremmers opgetrokken, die boven het wegdek uitsteken, hoewel we meestal putten tegenkomen. In sommige dorpen zijn zebrapaden over de weg getrokken, maar de meeste verkeersremmende elementen blijven wel de geiten, ezels en koeien die over de weg lopen. Ik hou me vast aan flessen water die tegen de namiddag de temperatuur van de omgeving hebben overgenomen. Misschien moet ik morgen een zakje thee meedoen voor onderweg.
We gaan over Gambia. Dat is leuk, dat betekent drie extra stempels in mijn paspoort, wat voelt als een extra reis. Omdat Gambia maar een kanonschot breed is zou de rit kort zijn - mochten de wegen er nog een beetje bestaan. Ik zie drie nieuwe boten in de veerpont liggen, we missen een boot en een goed half uur later hebben we de volgende al. De infrastructuur is spectaculair verbeterd, geen lange wachttijden meer en nauwelijks hinder bij de controleposten. Eens over de Gambiarivier en weer in Senegal wordt de weg plots beter. Drie maal heb ik vroeger de piste tussen de boot en Kolda doorstaan. Uren door elkaar geschud, over kleine hobbeltjes getrild en in diepere kloven scheef gehangen en af en toe ook een onverwachte put in de maagstreek geduwd gekregen. We kwamen vaak pas in het donker aan. De weg lijkt nu wel een snelweg. Zebrapaden in de dorpen die tot voor kort pas na uren ploeteren te bereiken waren. Het voelt vreemd aan.
Langs de weg staan in de dorpen lichten die op zonne-energie werken en een paneeltje boven hun hoofd lijken te hebben. Ze werken nog ook, zegt Gora, mijn chauffeur van dienst. De wegen waren een belofte van Abdoulaye Wade. Na de eerste verkiezing tot president is er een eerste stuk van een dertigtal kilometer gelegd. In de aanloop van de tweede verkiezing tot president zijn ze aan het andere stuk begonnen dat nu ligt te blinken in de zon.Als we om drie uur in de namiddag in Kolda aankomen en zijn vertrouwde geur van het afvalwater en verbrand plastic van de stad al daar. Het is als thuiskomen. We checken in het hotel in, waar ik met een emmer warm water het vet dat uit mijn broodje ei is gestroomd uit mijn broek probeer te schrobben. Eens weggespoeld is er geen water meer om me te wassen. Ik reduceer een kakkerlak tot een plek op de muur en ga zwemmen. In het hotel loopt een kraanvogel in helle kleuren te paraderen, zijn stelten zorgvuldig voor zich uit plantend, een geel kuifje en helroze wangen vervolledigen zijn parmantige aanwezigheid. Je denkt eerst: hoe mooi! Wat een beauty! Maar je beseft dan dat zijn vleugels geknipt zijn. Er lopen er hier zo twee rond. Ze slaan soms met hun tot nutteloze aanhangsels geworden ledematen, misschien denken ze dat ze er ooit nog mee weg geraken. IJdele hoop. Kraanvogels zijn trekvogels, ze horen nergens echt thuis, we herkennen ze doordat we ze onderweg tegenkomen. Het zijn zij die dan onderweg zijn. Ik heb enkele weken geleden pas The Echo maker gelezen van Richard Powers, waarin kraanvogels een prominente rol spelen. Het dorp waar ze soms overnachten blijft, de vogels trekken voorbij. Hier is het omgekeerd, de vogels paraderen omzichtig tussen de mensen die gaan en komen.
Die avond is er op televisie een reportage over een groepje Europeanen die de trek van de ooievaars naar Afrika observeren. Ze staan aan de rand van Middellandse zee met verrekijkers naar Afrika te kijken en naar wat naar daar trekt. Ze lachen breed en zijn opgewonden. Ik denk aan een gelijkaardig tafereel dat ik vorig jaar in de buurt van Tarifa zag. Ook daar keken verrekijkers uit naar Afrika, maar niet naar vogels. Het waren andere dingen die ze zochten en ze trokken niet naar Afrika, ze kwamen van Afrika.
Die avond eten we bij vrienden. Om enkele minuten na zeven, netjes getimed. Er zijn dadels en er brood met een gigantische pot choco en slappe koffie om in een beweging komaf te maken met de ramadanontbering.
