Gerry De Mol in Senegal
27 September
Dit is de laatste dag. Ik moet nog enkele inkopen doen en zoek eenoude kennis op die een winkel heeft van producten waarvan de opbrengst die naar een project in het binnenland gaan; Ik zoek Abou Thiam weer op die die dag met de groep Women Unite Senegal een productie voorbereid en zie mijn oude medespelers terug, het wordt een enthousiast weerzien. We houden contact deze keer, ze komen op tournee door Nederland en ik zal ze daarna nog een paar keer zien in de culturele centra waar ze spelen.
We moeten nog een iemand zien, op zoek naar Seckou Kandé, het gezicht van de campagne van 2002. Ik hoorde dat er problemen waren met het project in zijn dorp. We willen het van de eerste hand horen, maar we moeten half Dakar gaan rijden om hem te zoeken. Uiteindelijk lukt het.
Hij zit voor het huis van zijn broer - un frère, een rekbaar begrip in Afrika. Ik herken zijn scherpe trekken, zijn neus en ogen die bedachtzaamheid en ook wel wat onrust uitstralen. En ik herken zijn muts. Seckou Kandé was het gezicht van de Vredeseilanden campagne van 2002. Hij werd in Senegal ontvangen door de Minister van Landbouw om het lot van de pindaboeren aan te klagen: de monocultuur, de prijsproblemen, de verarming. Hij kwam naar België in het zog van de optredens van Hamdallaye 2. “Ik ben hier op doortocht”, zegt hij, “het is een kalme periode op het veld en er zijn dingen te regelen, altijd geld te zoeken”. Ik vertel hem de reden van mijn terugkomst: wat is er veranderd in de tussentijd?
Niet veel, zegt hij wat droefgeestig. “De campagne is heel goed verlopen, we hebben toen bereikt wat we wilden bereiken en meer ook. De mensen – ook in Dakar - werden zich bewust van de problemen en er zijn sindsdien wel enkele maatregelen genomen. Maar ik wilde ook iets voor mijn eigen dorp uit de brand slepen. We hebben dan vrij snel een project gemaakt om een omheinde en geïrrigeerde akker te maken in Bantancountou, met motorpompen. Dat zou ons toelaten andere gewassen te telen dan alleen maar die pindanoten. Alles liep goed, de putten werden gegraven, de motoren en buizen zijn geleverd, het cement ligt er. En toen gebeurde er niks meer.
Weet je, zo’n project grijpt in op het hele dorp, op de hele gemeenschap. Er waren dorpelingen die me ervan verdachten het geld dat ons toegezegd was in mijn huis verborgen te houden. Ik heb mensen moeten laten komen uit Dakar die hen uitlegden dat dit geld via de NGO’s in een project zou worden gestopt. Dat het niet onder mijn matras zat.
We hadden dat stuk grond omheind, en daarmee zijn de problemen begonnen. We moesten eerst een weg vrij laten en achteraf bleek dat we niet alle grondrechten hadden, dat er eigenaars waren die nog rechten konden laten gelden. In een dorp word je altijd wat door achterdocht en naijver achtervolgd als je zo dicht op elkaar woont. En de vereniging moet de hele grond bezitten voor je zoiets doet.
Nu weten we niet eens of het uitgesteld is of afgezegd. Eerlijk, als er nu iemand komt die alles materieel oplost dan ben ik zeker dat het nog niet goed komt. Er is geen vertrouwen meer in dat project, de grond hebben we zeker verloren. Een boer die een stuk grond afstaat voor de gemeenschap en dan ziet dat het niet werkt, zal dat geen tweede keer doen. Er speelt zoveel mee, er zijn de kleine persoonlijke spanningen, de dingen uit het verleden, de wettelijke papiermolen...... Een aantal van ons gelooft er niet meer in. Maar ik vind dat je moet blijven proberen.
Dus hebben we de koppen bij elkaar gestoken. We zijn slimmer geweest nu. Je leert uit je fouten. We hebben een andere terrein gezocht en afgebakend. Alle rechten zijn nu in orde, we hebben de papieren. Iemand zoekt nu met ons hoe we geld vinden om alles te installeren, of we het materiaal dat er ligt kunnen gebruiken. We beginnen met een nieuwe lei... misschien als je over enkele jaren terugkomt...”
Dan moet ik het vliegtuig halen.
Voor ik een paar uur inslaap blader ik nog door mijn notities. Ik heb tussendoor zoveel migranten gesproken, mensen die weg wilden, die terug waren, die hun kinderen eraan verloren waren. Bij elk bezoek wordt Senegal wat complexer. Ik denk aan de oude man tussen zijn bananen die tevreden is, er is zoveel ten goede veranderd, maar de jongeren mannen willen net iets meer. Ze willen meer zekerheid, en wie zal het hen ontzeggen? Ik denk aan de vrouwen van Pata, gezellig bij mekaar, die de afgelopen tien jaar hun leven ten gronde hebben zien veranderen, maar wiens zonen door de vooruitgang nu genoeg geld kunnen sparen om helemaal alleen het avontuur te kiezen. Of aan de vrouwen in het dorp dat fonio gaat verplanten, die nog een hele lange weg hebben af te leggen. Aan Seckou, die de (voorlopige) mislukking van zijn project toegeeft, maar niet echt weet waar de oorzaak ligt. Aan de man in Souriel die met een list zijn waterleiding kreeg.
Ik ben ontwikkeling meer gaan begrijpen, denk ik, door die simpele vragen te stellen. Het maakt vaak niet uit over hoeveel kilogram bananen, over hoeveel getransformeerde gerst of fonio het gaat als de oplossing niet ingebed is in de dagelijkse realiteit. Soms denk ik dat ontwikkelingshulp oude stijl te vergelijken is met een groepje indianen dat aan Walen en Vlamingen een pakket vredespijpen zouden sturen. De pijpen zouden allicht ergens verkommeren, of privé ingezet worden. Aan de situatie zou niks veranderen. In Indianenland zou van mismanagement gesproken worden.
